ECO B22 · Halfopen spelen
De Alapinvariant bouwt een centrum op tegen het Siciliaans
Met 2.c3 bereidt wit een stevig centrum met pionnen op e4 en d4 voor, in plaats van de gebruikelijke open Siciliaanse strijd. De zet geeft zwart wel meteen kansen om dat centrum aan te vallen.
Door Helena Verhoeven · Bijgewerkt op
- Opening
- Alapin-variant · internationaal: Sicilian Defense: Alapin Variation
- Zetten
- 1.e4 c5 2.c3
- ECO-code
- B22 · familie B22–B40
- Familie
- Halfopen spelen (1.e4, zwart antwoordt anders)
- Genoemd naar
- Semyon Alapin, Russische schaakmeester
- Eerste bekende periode
- Eind 19e eeuw
- Karakter
- positioneel, solide
- Geschikt voor
- beginners en clubspelers
- Varianten in de database
- 13 lijnen met deze naam
Na 1.e4 c5 2.c3 kiest wit voor de Alapinvariant van de Siciliaanse opening. De pionzet bereidt d2-d4 voor: wit wil ruimte in het centrum nemen en na een eventuele ruil met de c-pion op d4 terugslaan. Dat geeft wit een herkenbaar plan, maar c3 bezet ook het natuurlijke ontwikkelveld van het paard op b1. Zwart kan daarom direct tegenspel zoeken. De Alapin is een alternatief voor de gebruikelijke open Siciliaanse opbouw; de Siciliaanse opening is de hoofdopening waaruit deze variant voortkomt.
Waarom heet deze opening de Alapinvariant?
De variant is genoemd naar Semyon Alapin, een Russische schaakmeester die de zet 2.c3 regelmatig tegen sterke spelers gebruikte. Hij was niet de eerste die het idee speelde, dus het is nauwkeuriger hem de speler te noemen die de opening bekend maakte dan de uitvinder. Volgens de historische toelichting in een boek van New in Chess dook het idee al eerder op, maar Alapin speelde het aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw geregeld. De opening kreeg later nieuwe aandacht door grootmeester Evgeny Sveshnikov, die veel aan de theorie bijdroeg. De historische inleiding van New in Chess beschrijft die ontwikkeling.
Welke plannen ontstaan na 2.c3?
Wit wil meestal d4 spelen en zo ruimte innemen met pionnen op e4 en d4. Na 2…d5 kan wit bijvoorbeeld 3.exd5 Qxd5 spelen. Zwart haalt daarmee meteen druk weg uit het centrum en ontwikkelt de dame actief; wit kan vervolgens d4 spelen, maar kan de dame niet met Pc3 aanvallen, omdat de eigen pion daar staat.
Een andere belangrijke reactie is 2…Pf6, waarmee zwart de pion op e4 aanvalt. Wit kan ruimte winnen met 3.e5 Pd5 en daarna d4 voorbereiden. Na een ruil op d4 kan wit vaak met de c-pion terugslaan en het centrum behouden. Zwart probeert dan juist die pionnenketen onder druk te zetten. De uitleg van Chess.com over de Alapin behandelt deze twee directe uitdagingen als de belangrijkste reacties.
De Alapin past bij je als je een duidelijk centraal plan wilt en liever niet de uitgebreide hoofdvarianten van het open Siciliaans ingaat. Dat betekent niet dat de stelling vanzelf rustig blijft: beide spelers moeten letten op tactische mogelijkheden rond het centrum. Wit betaalt voor de pionzet met een ontwikkelingszet minder en moet een ander veld voor het damepaard vinden. Zwart krijgt ruimte om het centrum snel aan te vallen. ChessBase noemt de opening positioneel én aanvallend: een beschrijving die past bij het plan om eerst een stevig centrum te vormen en daarna activiteit te zoeken.
Welke fouten kun je aan beide kanten vermijden?
Als zwart 2…Pf6 speelt, valt het paard e4 aan. Wit moet die aanval serieus nemen: na een ondoordachte ontwikkelingszet kan de pion verloren gaan. De opstoot 3.e5 is een directe manier om het paard te bevragen, maar wit moet daarna ook rekening houden met tegenspel tegen de pionnen op e5 en d4.
Na 2…d5 is het belangrijk dat wit niet automatisch aanneemt dat de c-pion op c3 ook het veld voor het paard vrijlaat. Na 3.exd5 Dxd5 kan wit niet met Pc3 tempo winnen tegen de dame. Zwart moet omgekeerd niet alleen de pionnen opjagen, maar ook de ontwikkeling van de stukken op gang brengen. Te veel pionzetten kunnen wit tijd geven om het centrum te versterken.
Welke varianten zijn nuttig om eerst te leren?
Begin met de twee directe antwoorden 2…d5 en 2…Pf6. Tegen 2…d5 bestudeer je vooral 3.exd5 Dxd5 en de manier waarop wit daarna d4 opbouwt. Tegen 2…Pf6 leer je de ruimtewinst 3.e5 Pd5 en hoe beide kanten de centrale pionnen aanvallen. Zwart kan ook 2…e6 spelen; na 3.d4 d5 kan de partij overgaan in een structuur die aan de Franse verdediging doet denken. De Alapin kent meerdere speelbare vervolgkeuzes, dus onthoud niet alleen zetten: kijk na elke pionruil wie het centrum beheerst en welke stukken nog ontwikkeld moeten worden.
Je kunt de eerste zetten en de reacties van zwart oefenen door online tegen de computer te schaken. Speel daarbij zowel de lijn met 2…d5 als die met 2…Pf6, zodat je leert reageren op verschillende aanvallen op het centrum.
Veelgestelde vragen
Is de Alapinvariant geschikt voor beginners?
Ja, de opening heeft een eenvoudig te onthouden uitgangsplan: speel c3 en bereid d4 voor. Je moet wel leren omgaan met twee directe reacties van zwart, 2...d5 en 2...Pf6. Let vooral op de aanvallen op e4 en op de taak van de pionnen nadat ze naar het centrum zijn doorgeschoven.
Is de Alapinvariant minder scherp dan het open Siciliaans?
Niet per se. De Alapin vermijdt veel van de bekende hoofdvarianten van het open Siciliaans, maar dat maakt de partij niet automatisch rustig. Beide spelers kunnen het centrum snel aanvallen en er kunnen tactische kansen ontstaan. Het verschil zit vooral in de pionstructuur en de plannen, niet in een garantie op een kalme partij.
Heeft Semyon Alapin de opening uitgevonden?
Dat is niet zeker en wordt in schaakhistorische bronnen genuanceerd. De zet 2.c3 was al eerder gespeeld. Alapin gebruikte het systeem geregeld tegen sterke tegenstanders, waardoor zijn naam eraan verbonden raakte. Daarom is het beter te zeggen dat hij de opening populariseerde dan dat hij haar aantoonbaar als eerste bedacht.
Zetten, varianten en ECO-codes: lichess-org/chess-openings (CC0), geraadpleegd op 2026-10-05.