ECO A01 · Flankopeningen
De Larsenopening richt de loper op de lange diagonaal
De Larsenopening begint met 1.b3 en ontwikkelt de damevleugelloper via b2, terwijl wit het centrum eerst op afstand bestrijdt. Dat geeft flexibiliteit, maar vraagt om een plan zodra zwart met pionnen het centrum inneemt.
Door Helena Verhoeven · Bijgewerkt op
- Opening
- Larsen-opening · internationaal: Nimzo-Larsen Attack
- Zetten
- 1.b3
- ECO-code
- A01 · familie A01–A06
- Familie
- Flankopeningen (1.c4, 1.Pf3 en andere eerste zetten)
- Genoemd naar
- Aron Nimzowitsch en Bent Larsen
- Eerste bekende periode
- 1851, eerste bekende partij
- Karakter
- positioneel, gericht op tegenaanval, verrassingswapen
- Geschikt voor
- gevorderde clubspelers
- Varianten in de database
- 18 lijnen met deze naam
Met 1.b3 kies je niet meteen voor een pionnenfront op e4 of d4. Je maakt ruimte voor de loper op c1 om naar b2 te gaan en laat je centrale pionnen voorlopig op hun plaats. De Larsenopening, internationaal ook Nimzo-Larsen Attack genoemd, is daardoor flexibel, maar wit moet wel voorkomen dat zwart ongehinderd het centrum bezet.
De loper op b2 bepaalt het eerste plan
Na 1.b3 is de natuurlijke vervolgstap vaak 2.Lb2. De loper komt dan op de lange diagonaal a1-h8 te staan en kijkt richting het centrum, vooral naar e5. Dat is een fianchetto: een loper wordt ontwikkeld naar b2 of g2, achter de pion op b3 of g3. Volgens de uitleg van Chess.com over de Nimzo-Larsen Attack wil wit zo druk uitoefenen vanaf de flank, terwijl zwart doorgaans met een centrale pion probeert ruimte te pakken.
Zwart kan meteen 1…e5 spelen. Dan valt 2.Lb2 de pion aan, maar zwart kan die bijvoorbeeld met …Pc6 of …d6 verdedigen. Ook 1…d5 en 1…Pf6 zijn logische antwoorden: zwart bezet of beïnvloedt het centrum en houdt opties open voor de verdere pionnenstructuur. Wit ontwikkelt daarna vaak een paard naar f3 en kan met c4 of e3 het centrum uitdagen.
Wie bedacht de Larsenopening?
De zet is niet door één speler uitgevonden. De vroegst bekende serieuze partij met 1.b3 wordt toegeschreven aan de Nederlander Maarten van ’t Kruijs in 1851. Een historische bespreking op Schaaksite over Bent Larsen en de opening wijst ook op die vroege partij en maakt duidelijk dat de naam niet betekent dat Nimzowitsch de zet als eerste speelde.
Aron Nimzowitsch raakte wel met het systeem verbonden. Hij speelde vaker eerst 1.Pf3 en daarna b3, en gebruikte 1.b3 zelf maar zelden. Bent Larsen maakte juist de directe eerste zet bekender door die geregeld te spelen. De opening draagt daarom de namen van beide spelers. Ook Bobby Fischer speelde 1.b3 in toernooipartijen; de associatie met Larsen bleef echter het sterkst. ChessBase over de naam en de historische partijen beschrijft die verschillende bijdragen.
Past 1.b3 bij jouw speelstijl?
De Larsenopening past bij je als je graag vanuit een flexibele opstelling speelt en bereid bent het centrum eerst met stukken en lopers te beïnvloeden. Je ontwijkt veel vaste hoofdvarianten die beginnen met 1.e4 of 1.d4, en je kunt kiezen wanneer je met c4, e3 of d4 ruimte opeist. De opstelling is overzichtelijk, maar de juiste timing vraagt gevoel voor centrumcontrole.
Het nadeel is dat wit niet direct om het centrum vecht met een pion. Als je te lang wacht met ontwikkelen of geen antwoord hebt op zwarte pionnen op e5 en d5, kan zwart meer ruimte krijgen. Ook kan de loper op b2 tegen een gesloten pionnenketen aan kijken en weinig doen. De opening is dus geen aanval die vanzelf ontstaat: je moet de loperlijn vrijhouden en tegelijk je paarden en koning veilig ontwikkelen.
De pionnenplannen van wit en zwart
Wit kan de pionnen op c2 en d2 laten staan terwijl de stukken zich ontwikkelen, of met c4 en e3 een steviger centrum opbouwen. Met d4 kan wit later ook direct ruimte opeisen. Welke keuze goed past, hangt af van wat zwart heeft gespeeld: tegen …e5 is het belangrijk om te bedenken hoe je de pion op e5 blijft aanvallen of het centrum betwist; tegen …d5 krijgt zwart juist een pionnenbasis in het midden.
Zwart wil meestal niet passief afwachten. Met …e5 of …d5 neemt zwart ruimte in en beperkt die de invloed van de loper op b2. Na …e5 kan zwart de pion ondersteunen met …Pc6 of …d6. Wit kan daarop reageren met c4, e3 en paardontwikkeling, maar moet niet automatisch dezelfde zetten spelen zonder naar de centrumspanning te kijken. De stelling vraagt van beide spelers om te bepalen wanneer pionnenruil het centrum opent en wanneer een gesloten centrum juist gunstig is.
Veelgemaakte fout: de flank belangrijker maken dan het centrum
1.b3 bereidt een ontwikkelingsplan voor, maar geeft wit geen vrijbrief om het centrum te negeren. Een bekend voorbeeld is de partij Larsen-Spassky uit 1970. Na 1.b3 e5 2.Lb2 Pc6 3.c4 Pf6 4.Pf3 e4 kreeg zwart ruimte en tempo door het witte paard weg te jagen. In de partij volgde 5.Pd4 Lc5 6.Pxc6 dxc6; daarna stond wit onder druk en won Spassky in zeventien zetten.
Dat is geen geforceerde val voor iedereen die 1.b3 speelt. De praktische les is dat wit na een centrale aanval van zwart zorgvuldig moet blijven ontwikkelen en niet zomaar extra flankzetten moet spelen. De zettenreeks en de partij zijn terug te zien in het Lichess-partijrecord van Larsen tegen Spassky.
Welke varianten kun je na 1.b3 tegenkomen?
De belangrijkste keuzes voor zwart zijn 1…e5, 1…d5 en 1…Pf6. Na 1…e5 ontstaat vaak een directe strijd om het centrum: wit ontwikkelt de loper naar b2 en zwart verdedigt de e-pion. Met 1…d5 kiest zwart voor een pionnenzet die het centrum stevig bezet. Na 1…Pf6 ontwikkelt zwart eerst een paard en kan de keuze voor een centrale pionnenzet uitstellen.
De precieze opening hangt ook af van de zetvolgorde. Een plan met Pf3 en b3 kan verwant raken aan de Larsenopening, maar wit kan via een andere flankopstelling ook in ideeën uit de Engelse opening of een Réti-opstelling terechtkomen. Vergelijk daarom niet alleen de eerste zet, maar ook de pionnenstructuur en de plek van de lopers voordat je een variant kiest.
Larsens partijen laten zien hoe verschillend de opening kan uitpakken. In 1969 won hij met 1.b3 van de Nederlandse grootmeester Jan Hein Donner; tegen Spassky kreeg dezelfde eerste zet in 1970 juist een pijnlijke afloop. Die partijen illustreren dat 1.b3 kansen geeft op een eigen type stelling, maar niet automatisch een voordeel oplevert. Je kunt verschillende antwoorden op …e5, …d5 en …Pf6 rustig tegen de computer oefenen en daarbij vooral letten op het moment waarop je zelf het centrum moet uitdagen.
Veelgestelde vragen
Is de Larsenopening een gambiet?
Nee. Met 1.b3 offert wit geen pion en lokt wit geen onmiddellijke materiaalwinst uit. De zet bereidt vooral de ontwikkeling van de loper naar b2 voor. Wit kan later wel een pion offeren in een concrete variant, maar dat maakt de Larsenopening zelf nog geen gambiet.
Is 1.b3 hetzelfde als 1.Pf3 gevolgd door 2.b3?
Niet helemaal. Beide zettenvolgordes kunnen naar een vergelijkbare fianchetto-opstelling leiden, maar 1.b3 laat zwart meteen toe om ...e5 te spelen. Met 1.Pf3 voorkomt wit die specifieke eerste zet en stelt wit de keuze voor de b-pion nog even uit. De beste volgorde hangt af van welke zwarte reacties je wilt toelaten.
Zetten, varianten en ECO-codes: lichess-org/chess-openings (CC0), geraadpleegd op 2026-10-05.